Normen CE-markering voor poorten
(Deel 1: CE en mechanische veiligheidsaspecten)

Sinds de invoering van de CE-markering van brandwerende poorten komt de productnorm voor poorten opnieuw in de kijker. In wat volgt wensen we het belang te benadrukken van het elimineren van veiligheidsrisico’s, de verantwoordelijkheden, de verplichtingen en de onvermijdelijke linken tussen de verschillende Europese richtlijnen en normen voor industriële poorten.

Inhoudsoverzicht
1. Moet elke poort of hekken een CE-merk dragen?
2. Moet ik naar een testlaboratorium stappen en een certificaat aanvragen?
3. De norm doorgelicht: de belangrijkste mechanische veiligheidsaspecten op een rij.
3.1 Wat is de maximale toegelaten bedieningskracht voor manueel bediende poorten of hekkens:
3.2 Is de poort of het hekken voldoende stevig en robuust?
3.3 Is de werking en de robuustheid gegarandeerd in de tijd. Wat met de mechanische duurzaamheid?
3.4 Hoe controleer ik de veiligheid van toegepaste beglazingen? Mogen deze breken tijdens het normaal gebruik en zo ja, is er een ernstig gevaar voor de gebruiker?
3.5 Heeft mijn poort scherpe kanten of gevaarlijke uitsteeksels, en hoe kan ik inklemmingsgevaren vermijden?
3.6 Is de vloerzone voldoende vlak? Hoe vermijd ik struikelgevaar?
3.7 Hoe beveilig ik een vertikaal bewegende poort (type sectionaal-, overhead- of valpoort) tegen ongecontroleerd neerkomen ingeval falen of breuk van een component?

1. Moet elke poort of hekken een CE-merk dragen?
Sinds mei 2005 is CE-markering voor poorten en hekkens verplicht voor elke fabrikant of schrijnwerker die dergelijke producten in de handel brengt. Goed om weten is dat “doorverkoop” ook als handel beschouwd wordt. Dit impliceert dat, ingeval een aannemer of plaatser zijn producten aankoopt bij een fabrikant of schrijnwerkerij (de maker van de elementen), de aankoper CE-gemarkeerde producten moet krijgen.

Fabrikanten of schrijnwerkers die maken en zelf plaatsen worden wettelijk als aannemer beschouwd en hebben in princiep geen CE-markeringsplicht. Niet markeren wil hier echter zeggen dat de klant geen sluitende zekerheid krijgt naar o.a. windweerstand en veiligheid in gebruik wat op termijn een commercieel nadeel kan opleveren

Geen CE-markeringsplicht wil weliswaar niet zeggen dat er geen vereisten zijn. Het is zo dat het lastenboek eisen kan opleggen naar windweerstand of thermische weerstand en te allen tijde is de CPR, uitgebreid met de laagspannings-, de machine-, en de EMC richtlijn van toepassing bij aangedreven poorten of hekkens.

Met de komst van de CE-markering, en de hiervoor ontwikkelde Europese productnorm EN 13241-1, werden de belangrijkste aspecten van de verschillende richtlijnen in één norm gebundeld. CE-markering is dan wel niet verplicht voor “niet in de handel gebrachte” producten, maar voldoen aan de vereisten en veiligheidsaspecten uit deze norm is wel steeds verplicht.( cfr. machines en verplichting op veilig product).

2. Moet ik naar een testlaboratorium stappen en een certificaat aanvragen?
De CE conformiteit moet door de fabrikant zelf verklaard worden, alsook de aanbreng van het CE-merkteken en dit met inbegrip van de gedeclareerde klasseringen. Dit alles is het gevolg van het zogenaamde Europese attesteringsniveau waaronder poorten en hekkens vallen, nl. systeem 3, dat het volgende oplegt:

  • een genotificeerd testlab voert de nodige testen uit voor declaraties, opgenomen in de ZA bijlage van EN 13241-1. (de zgn. ITT testen). De vereisten, die niet opgenomen zijn in de ZA-bijlage, maar wel in de norm, kunnen door de fabrikant zelf gegarandeerd worden door eigen-declaratie of beroep doend op verklaringen van zijn toeleveranciers. (waaronder oa. een groot aantal mechanische veiligheidsaspecten, opgenomen in dit artikel)
  • de fabrikant organiseert een continue productiecontrole op de werkvloer. (de zgn. FPC controle)
  • de fabrikant verklaart CE-conformiteit en markeert zijn producten

3. De norm doorgelicht: de belangrijkste mechanische veiligheidsaspecten op een rij
In wat volgt geven we een opsomming van de belangrijke mechanische aspecten waar poorten en hekkens moeten aan voldoen. Aspecten die volgens de ZA-bijlage van de productnorm, verplichtend door het genotificeerd testlabo dienen te gebeuren worden aangeduid met (taak notified body).

3.1 Wat is de maximale toegelaten bedieningskracht voor manueel bediende poorten of hekkens:
De bedieningskracht is de trekkracht, nodig om de poort of het hekken te kunnen openen en te kunnen sluiten. Deze mag voor residentiële toepassingen niet groter zijn dan 150 N. Voor industriële of commerciële toepassingen zijn krachten tot maximaal 260 N toegelaten. Poorten en hekkens die bedieningskrachten hebben die hoger liggen dan deze maxima moeten onvermijdelijk voorzien worden van een automatisering. (ze kunnen immers onmogelijk geopend of gesloten worden met gemiddelde krachtinspanningen van de gebruiker).

Als automatische deuren bij stroomuitval of problemen met de automatisatie, een manuele veiligheidsbediening overneemt, bedragen in dit geval de maximale bedieningskrachten respectievelijk 225 N voor residentiële toepassingen en 390 N voor de andere toepassingen.

De vermelde krachten kunnen vervangen worden door gewichten, opgehangen aan een kabel met katrol- of wieloverbrenging. Een benaderende vuistregel zegt dat 10 N ongeveer gelijk is aan 1 kg (150 N kan dus vervangen worden door een gewicht van 15 kg).Als de poort of het hekken met desbetreffend gewicht (15 kg of 26 kg tijdens normaal gebruik) kan geopend en gesloten worden, dan voldoet deze aan de eis van de norm.

3.2 Is de poort of het hekken voldoende stevig en robuust?
De poort of het hekken moet zodanig ontworpen zijn dat tijdens het normaal gebruik, het poortelement, met inbegrip van beslag en bevestigingsmiddelen, niet beschadigd worden en/of permanente vervormingen optreden, die de functionaliteit in gedrang kunnen brengen. De fabrikant kan dit aantonen door berekening of door het uitvoeren van testen. Ingeval berekend wordt, moet rekening gehouden worden met bijkomende veiligheidscoëfficiënten, en wel als volgt:

Bij verificatie van de invloed door drukbelasting (wind bvb.): coëfficiënt 1,5 maal de vloeispanning voor materialen met vloei (stalen onderdelen bvb.) en coëfficiënt 2,0 maal de breukspanning voor andere materialen ( hout bvb.)

Bij verificatie van andere invloeden (o.a. eigen gewicht) worden factoren 2,0 bij vloeimaterialen en 3,5 bij andere materialen gehanteerd. Verificaties door berekeningen vereisen goede kennis van de materie en kunnen wellicht enkel uitgevoerd worden door specialisten (bouwkundig ingenieurs, studiebureaus of de genotificeerde testlaboratoria).

Ingeval geopteerd wordt voor proefondervindelijke (door testen) bepaling van de blijvende vervorming moet tijdens deze test het gewicht van de testpoort of hekken vergroot worden met 10%. Dit kan door bijvoorbeeld bijkomende gewichten te plaatsen, die op of aan het testelement gehangen worden.

Eens het element voldoet aan de mechanische eis qua veiligheidsfactor zoals hiervoor beschreven moet een mechanische sterktetest op het geheel uitgevoerd worden, als volgt:

Open en sluit de poort of het hekken 10 maal met de maximale bedieningskracht. Bij deze bewegingen mogen geen beschadigingen en/of veranderingen optreden die de functionaliteit in gedrang kunnen brengen. Dit gegeven kan eenvoudigweg gecontroleerd worden door een visuele observatie voor, tijdens en na de 10 bewegingen.

3.3 Is de werking en de robuustheid gegarandeerd in de tijd. Wat met de mechanische duurzaamheid?
Elke poort-of hekkenfabrikant moet een zekere vorm van garantie geven. Bij poorten en hekken wordt dit vertaald in een aantal cycli, rekening houdende met uitgevoerde onderhoudsbeurten volgens een vastgelegde frequentie, die ook door de fabrikant aan de klant of aannemer opgegeven dienen te worden.

Het is de fabrikant zelf die bij wijze van een initiële test het aantal cycli vastlegt. Dit aantal wordt bepaald door uitvoering van een zgn. duurzaamheidproef ( proef herhaald openen en sluiten). Deze proef wordt uitgevoerd op het grootste element in zijn gamma en met een verhoogd poort of hekkengewicht (10% gewicht bijgevoegd). Telkens, tijdens de duurzaamheidstest, een onderhoud, afhankelijk van het aantal cycli, voorgeschreven is, mag dit ook tijdens de duurzaamheidstest uitgevoerd worden. Hierbij wordt de test stilgelegd, onderhoud (smeren, opkuisen railweg etc.) uitgevoerd en wordt nadien de test verdergezet. Visuele controle en functionaliteitscontrole moet elke 10% van het totaal aantal testcycli uitgevoerd worden, terwijl veiligheidsfuncties, ingeval van toepassing, elke 20% van het aantal cycli moeten geverifieerd worden.

3.4 Hoe controleer ik de veiligheid van toegepaste beglazingen? Mogen deze breken tijdens het normaal gebruik en zo ja, is er een ernstig gevaar voor de gebruiker?
Vooreerst dienen, ingeval grote glasoppervlakken gebruikt worden, deze zichtbaar gemarkeerd te worden, zodat de uiteindelijke gebruiker steeds weet dat hij voor een beglazing staat. Dit kan bijvoorbeeld door aanbreng van een label, een lijn, gebruik gekleurd glas of een andere markering aan te brengen op ooghoogte. Dergelijke beglazingen dienen tevens te voldoen aan de primaire eisen voor veiligheidsglas. Het volstaat zich in dit geval te wenden tot de glasleverancier en te kiezen voor veiligheidsglas dat voldoet aan klasse 1 volgens de glastestnorm EN 12600. Dergelijke conforme beglazingen werden onderworpen aan schokweerstandstesten en breken niet of ingeval ze toch breken versplinteren ze in zodanig kleine stukjes dat het gavaar op snijwonden bijna nihil is.

3.5 Heeft mijn poort scherpe kanten of gevaarlijke uitsteeksels, en hoe kan ik inklemmingsgevaren vermijden?
Het is zo dat de aanwezigheid van scherpe randen verboden is als deze de gebruiker kunnen verwonden. Dit geldt evenzeer voor mogelijke inklemming of het risico op pletten..

Uitsteeksels en inklemmingsgevaren moeten vermeden worden tot een hoogte van 2,5 m en dit over de volledige loopweg van de poort of het hekken. Specifiek voor automatische poorten of hekkens gelden speciale regels met betrekking tot inklemmings- en pletgevaar in de laatste 0,5 m zone bij horizontaal bewegende poorten of hekkens en de zone vanaf 2,5 m hoogte tot de grond voor neerwaarts bewegende elementen. (zie verder in artikel-veilig sluiten). Ingeval vermijden van inklemmings-of pletgevaren op een technisch verantwoorde manier niet kunnen verwezenlijkt worden mag gebruik gemaakt worden van waarschuwingstekens. ( bvb. label met aanduiding: “ gevaar inklemming”). De norm EN 12604 geeft een aantal typevoorbeelden voor beveiligen van deze gevarenzones en wel als volgt:

  • aansluiting van kantelende panelen (sectionaalpoort bvb.) afschermen met flexibele flap;
  • er steeds voor zorgen dat bij sluiting steeds een opening blijft. Voor mogelijke vingerinklemming is dit minstens 25 mm;
  • overlappende onderdelen afschermen door bijkomende beschermplaat die deze ontoegankelijk maken;
  • scherpe randen afronden;
  • bij hoogte van gesloten positie, steeds een veilige afstand houden tussen handgreep en vast gedeelte. (muur of omlijsting).

Dit zijn slechts een aantal voorbeelden met als doel de essentie van de beveiliging vast te leggen. Het is echter de bedoeling dat elke fabrikant zijn poort of hekken grondig bestudeert en de nodige maatregelen treft.

3.6 Is de vloerzone voldoende vlak? Hoe vermijd ik struikelgevaar?
Verhogingen en uitsteeksels die mogelijks kunnen leiden tot struikelen moeten vermeden worden. Weliswaar worden kleine hoogteverschillen tot maximaal 5 mm toegelaten en ingeval, omwille van onvermijdbare technische redenen hoogteverschillen groter dan 5 mm zich blijvend voordoen, moeten deze duidelijk zichtbaar gemarkeerd worden. Dit kan door waarschuwingstekens of het aanbrengen van geel-zwart gestreepte waarschuwingstape

3.7 Hoe beveilig ik een vertikaal bewegende poort (type sectionaal-, overhead- of valpoort) tegen ongecontroleerd neerkomen ingeval falen of breuk van een component?
Vertikaal bewegende poorten moeten, ingeval één component het laat afweten, steeds beveiligd zijn tegen ongecontroleerd neerkomen. Eén component die een tandwiel, een overbrenging of een kabelbreuk kan zijn mag bij breuk of falen geen gevaar opleveren naar de gebruiker toe. Alsook mogen in dit geval geen krachten ontstaan die het ganse poortsysteem in onstabiliteit brengen of krachten teweegbrengen die aanleiding kunnen geven tot breuk of uit evenwicht brengen van het poortgeheel.
In geval van falen moet aan volgende voorwaarde voldaan worden:
Bij falen mag de poort niet meer dan 30 cm naar beneden komen alvorens ze tot stilstand komt. Een belangrijk gegeven waarmee bij keuze van een kabelbreukbeveiliging niet enkel rekening moet gehouden worden met het maximaal poortgewicht maar alsook de reactietijd van de kabelbreukveer.
Het poortgeheel na breuk déblokkeren mag enkel uitgevoerd worden door bevoegde personen en steeds volgens de richtlijnen van de poortfabrikant.
Bij automatische (motor aangedreven poorten) mag een remsysteem op de aandrijfmotor aangebracht worden, maar deze mag op zich niet beschouwd worden als veilig stopsysteem ingeval de poort neerkomt door breuk of falen. Dergelijke systemen moeten steeds gecombineerd worden met bvb. een kabelbreukbeveiliging. Tevens dienen ingeval in werking treden van de beveiliging de krachten tussen de aandrijfeenheid en het poortblad automatisch onderbroken te worden.